Menu

‘Dat gaat in normále gezinnen echt niet zo’

Door: Pien (41)

“Gátver!” Zoon (13) vist een platgewalst, groen boterhamzakje onderuit zijn boekentas, en maakt een kokhalsgeluid om zijn walging kracht bij te zetten. In zijn andere hand bungelt het lunchpakket van vandaag, onaangeroerd. “Ja sorry hoor, mam, maar jij doet er altijd kaas op en dat vind ik dus vet goor.”

Gezien het lege zakje frikandelbroodjes dat net niet goed genoeg zit weggestopt tussen zijn wiskundeboek en ongewassen gymshirt, zal het met zijn honger wel meevallen, constateer ik. Maar opeens ben ik er helemaal klaar mee. “Weet je”, gil ik – iets hysterischer dan ik bedoeld had. “Ik doe het niet meer, elke ochtend die stapels brood smeren, als ik ze toch elke middag onaangebroken weer terugkrijg. Vanaf nu regelen jullie je eigen ontbijt en lunch maar.”

Puberoren

Het is alsof ik zojuist een bom heb laten afgaan. Normaal gesproken praat ik tegen een muur als ik mijn zonen iets duidelijk probeer te maken. Dat de wasmand zich op zolder bevindt, bijvoorbeeld, in plaats van onder hun bedden. Of dat vuile sokken op tafel niet echt heel lekker matchen met mijn vers geserveerde pasta con pomodori. Dat tennisschoenen in de gang horen, en niet vol met gravel op de bank, en lege koekverpakkingen in de prullenbak, in plaats van terug in het keukenkastje. In honderd procent van de gevallen: geen gehoor.

Ik vraag me af of de frequentie van mijn stem überhaupt binnen het bereik valt van puberoren. Ik kan met droge ogen verkondigen dat ik van plan ben in het huwelijk te treden met de verschoppeling van een inheemse Amazone-stam in rieten rokje, en nog steeds hooguit de reactie krijgen: “Huh, zei je wat?”

Wahed veel werk’

Nu is zelfs jongste (11) achter zijn Xbox vandaan gekomen om de rampspoed te vernemen. Zwijgend staren ze me aan – wijd opengesperde ogen, hun armen bungelend langs hun slungelige lijven. “Wát?”, roept oudste tenslotte. “Dat is wahed veel werk, mam. Daar heb ik écht geen tijd voor als ik naar school moet.”

“Ik ook niet, voordat ik ga werken”, merk ik droogjes op. “Je komt maar een kwartier eerder je bed uit. Doe ik ook al jaren, zodat jullie te eten hebben, maar daar heeft vooralsnog alleen de bakker profijt van.”

Worstenbroodje uit de kantine

Jongste haalt zijn schouders op en stommelt weer naar boven. Ik roep zo vaak dingen die ik toch niet waar maak. Oudste is zich beter bewust van mijn ernst, en krabt zich even bedenkelijk op zijn hoofd. “Kom op, mam. Ik beloof dat ik mijn brood vanaf nu echt elke dag opeet.”

“In de prullenbak op school smijt zodat ik niet meer mérk dat je het niet opeet, zeker”, zeg ik. “Ik meen het: vanaf morgen regelen jullie het zelf maar. En dat betekent níet dat je wel een worstenbroodje koopt in de kantine.”

Koffie op bed

Die avond zet ik mijn wekker een kwartiertje later. En wanneer ik ’s ochtends mijn ogen open, hoor ik ze zowaar in de weer met het espressoapparaat. Vijf minuten later staat jongste met een dampende koffie aan mijn bed. “Kijk eens, mam”, kweelt hij, “omdat je altijd zo hard je best doet voor ons.”

Ik wacht op de ‘maar’.

“Maar mam”, vervolgt hij dan, “we snappen het nu wel. Drink lekker even je koffie op, en kom je dan ontbijt en lunch maken?”

Voet bij stuk houden, bijt ik mezelf toe. Dus zeg ik: “Volgens mij zitten jullie al een halfuur op jullie telefoons; tijd zat om brood te smeren. Je kent de afspraak, succes.”

Kinderarbeid

Wanneer ik vijf minuten later de keuken inloop, staan zonen gebroederlijk naast elkaar aan het aanrecht, hun gezichten op onweer.

“Dit gaat in normale gezinnen écht niet zo”, foetert jongste.

“Kinderarbeid”, oordeelt oudste.

“Verantwoord omgaan met voedsel”, zeg ik olijk, en tap nog een koffie.

En een omeletje, graag

Die middag komen twee lege boterhamzakjes uit de schooltassen tevoorschijn. “Oké, oké, je had eigenlijk best gelijk”, zegt jongste, terwijl hij zich liefkozend tegen me aan vlijt.

“Ja, en ik had mosterd op mijn kip gedaan en dat was kaulo lekker”, straalt oudste. “Dat doe jij nóóit. Ik kan echt súpergoed koken.”

Ik negeer dat tussen de rest van de boterhammen een half pak chocovlokken is verdwenen, en geef de jongens trots een kus. “Vet knap van jullie”, zeg ik.

“Dus nu we hebben bewezen dat we ons brood weer opeten, maak jij het vanaf morgen gewoon weer, hè liefste mamsie?”, probeert jongste.

“Maar dan wel met mosterd, dus”, voegt oudste toe. “O, en een omeletje, want dat geeft de moeder van Mirthe haar ook altijd mee. Met kaas en een tomaat erdoor.”

“Wat een goed idee”, zeg ik. “Nu jullie zo supergoed kunnen koken, kunnen jullie straks mooi het avondeten verzorgen. Kip met mosterd en een omeletje schijnt echt kaulo lekker te zijn.”

Lees ook: Het pubernachtkastje

 

 

 

Deel dit via:
No comments yet.

Geef een reactie