Menu

‘Een actieve outdoor-moeder, dat ben ik’

Door: Pien (41)

Flblnbm-tig kilo.” Ik fluister het zo zacht en onverstaanbaar mogelijk. Misschien kom ik ermee weg, hoop ik. “Hóeveel?!”, schreeuwt de sportinstructeur – althans, hij zegt het stukken luider dan ik wenselijk acht. “Nou, stap maar gewoon even op de weegschaal, dan meten we meteen je vetpercentage.”

Plaats van akte: de sportschool. Een nieuwe, want in de oude durf ik me na drie verlopen abonnementen niet meer te vertonen. In plaats daarvan heb ik Giovanni ingeschakeld, een personal trainer die in Marvel-achtig postuur op zijn website poseert, en dus vast weet hoe dat moet, strakker worden. Zijn weegschaal blijkt middenin de fitnessruimte te staan, pal naast de hometrainer waarop een gespierde twintiger me zonder enige schijn van inspanning grijnzend gadeslaat.

Scène één, eerder die week. “Jemig, mám! Wat heb jíj daar nou?” Oudste zoon (13) grijpt hardhandig in mijn zij, en knijpt in het rolletje boven mijn nieuwe, één maat grotere spijkerbroek. “O, het is gewoon vet. Ik dacht dat je een raar shirt aan had.”

Best sportief

“Eén ding is goed: je hebt geen officieel overgewicht.” Giovanni knikt goedkeurend, terwijl hij het bonnetje bekijkt dat de weegschaal net heeft uitgespuugd en dat in dikke, zwarte letters ook nog eens mijn spiermassa vermeldt – of liever: mijn gebrek daaraan.

“Ik ben ook best sportief”, zeg ik trots. Ik meen dat. Opgewekt kijk ik hem aan. “Ik heb net zo’n swapfiets besteld. Je weet wel, zodat ik zelfs bij reparaties of jatwerk nooit meer zonder wielen zit en dus nooit meer een excuus heb om de auto te pakken. O ja, en ik heb een hond. Een grote. Ki-lo-me-ters per dag loop ik met haar; heeft ze nodig. Ik ook, trouwens.” Ik wrijf knipogend over mijn heupen.

Giovanni geeft geen sjoege. “Het slechte vet, van drank en ongezonde voeding, sla je op rond je organen”, zegt hij ijzig. “Dat zie je minder, maar is wel het schadelijkst, én krijg je het moeilijkst weg.”

Uitlaatschema

Het uitlaatschema op mijn koelkast, dat na lang onderhandelen met zonen tot stand kwam en erin resulteert dat in elk geval de jongens de hond allebei precies even vaak uitlaten, kan ik maar beter verzwijgen, besluit ik. Voor mij komt het neer op één keer per dag een uurtje, en ’s avonds laat nog een snelle plas. “Nou ja. En ik skate, hè”, voeg ik dus maar toe. “Héérlijk vind ik dat. Alleen als het mooi weer is hoor, daar ben ik eerlijk in.” Buiten klettert de regen voor de duizendste dag op rij tegen de ruiten.

Giovanni knikt bemoedigend. “Maar niks op structurele basis, dus?”

Rustig beginnen

Zo snel geef ik me niet gewonnen. “Nou, ho ho”, zeg ik. “Ik ski namelijk ook. Best fanatiek, niet zomaar een paar afdalinkjes per jaar naar de eerste de beste après-ski-bar. En dan heb ik nog een racefiets.” Ik formuleer het met de juiste nuance, constateer ik tevreden. Hij verstoft al drie jaar op mijn zolder, maar de intentie is er.

“Mijn kinderen zijn net zo”, ratel ik verder. “We zijn vorige zomer zelfs op canyoningvakantie geweest.” Best indrukwekkend, vind ik zelf. Al was het eigenlijk een kampeervakantie waarin we één keer zijn gaan canyoningen. In een groep kinderen vanaf tien jaar. Tussen het wijn drinken door.

Even wacht ik de reactie van mijn personal trainer af, maar die blijft uit. Dus besluit ik mijn verhaal met: “Echt een actieve outdoor-moeder, ben ik. Dat is hélemaal mijn ding.”

“Goed”, zegt Giovanni – en ik kan zijn gezichtsuitdrukking niet helemaal duidelijk lezen. “Laten we gewoon maar eens rustig beginnen.”

‘Gaat ‘ie, bikkel?’

Twintig minuten later voel ik me tien jaar ouder. Ik ben ingewijd in een wereld van burpees, squats, push-ups en lunges, en voel me ronduit misselijk. Een beetje duizelig, ook. “Gaat ‘ie, bikkel?”, roept Giovanni olijk. “Nog drie setjes crunches, en dan ben je van me af. Even doorbijten: brand is winst!”

“Jee, mam, wat heb jij gedaan? Je bent helemaal paars”, grijnst oudste wanneer ik even later kermend binnen kruip. “O god, je bent toch niet gaan sporten hè? Vanwege die rollen? Alle moeders hebben dat. Wat maakt dat nou uit, jullie zijn toch al oud.”

“Schuif er maar even een diepvriespizza in, jongens, ik geloof niet dat ik honger heb”, zeg ik, terwijl ik de laatste slok lauw water uit mijn dopper drink.
“Hier”, zegt jongste (11) medelijdend, terwijl hij me een glas koude sauvignon in handen duwt. “Volgens mij kun je dit wel gebruiken. Was het wel leuk, dat sporten?”
Ik neem twee grote slokken achter elkaar, en voel ze branden in mijn keel. “Winst was het, jongen. Púre winst.”

Lees ook: Flirten in de sportschool.

Deel dit via:

, , , , ,

No comments yet.

Geef een reactie