Menu

Ik staak

Door: Pien (40)

Vieze sokken op de bank, plakkerige colaglazen in de vensterbank, lege eetverpakkingen in de – wijd openstaande – keukenkastjes en vijfentwintig vol gekraste plakbandjes (?) op de eettafel. Door de woonkamer loopt een spoor van modderschoenen en mijn favoriete chocola die ik bewaard had voor vanavond: opgegeten.

De kinderen zijn in geen velden of wegen te bekennen, wanneer ik binnen stap na een lange werkdag, maar uit de tv schalt een YouTuber die ik maar voor de helft kan verstaan en alle lampen in de woonkamer branden. Ik heb mijn laptoptas nog niet eens op de grond gezet en sta nog met mijn autosleutel in mijn handen, als ik een blik werp op het tafereel en ter plekke moedeloos besluit: “Weet je wat? Ik doe het gewoon niet meer.”

‘Het’ is in dit geval mijn onophoudelijke rol als huissloof. Door mijn kinderen (10 en bijna 13) regelmatig verward met ‘butler’, ‘taxichauffeur’ of – wanneer ze huiswerk moeten maken – ‘slavendrijver’, maar als ik kijk naar wat er vanavond nog aan mijn interieur gered moet worden, weet ik vrij zeker dat ik toch echt de eerste ben. Nog geen anderhalf uur zijn ze alleen geweest. In zo’n korte tijd zó’n catastrofe aanrichten; ik vind het bijna een prestatie.

Gymshirt tussen de schimmel

“Ha, mam!” Net wanneer ik begin te hopen dat ze in elk geval hebben bedacht de hond alvast uit te laten (waar is die eigenlijk?), springt oudste zoon met zijn telefoon in zijn hand en een koptelefoon op zijn oren met een dodemanssprong van de trap de woonkamer in. “Heb je mijn gymkleren al gewassen?”

“Hai schat”, zeg ik, “goed hoor, en hoe was jouw dag?”

“Ja, ja, oké”, zegt hij, terwijl hij een haastige zoen op mijn mond kwakt, “lekker gewerkt? Maar mijn gymkleren. Die heb ik dus nú nodig.”

Er lag niks in de wasmand, dus ik deel mijn enige logische verklaring: “Liggen die niet gewoon nog in je kluis op school?”

Dit vraagt overduidelijk iets teveel van de meedenkcapaciteiten van zoon. “Ja, lékker dan!”, zucht hij. “En morgen heb ik buitengym; de leraar maakt me echt af als ik mijn spullen wéér vergeten ben. Die zijn dus gewoon kwijt, hè.”

Ik gooi mijn tas en sleutels tegen de gangkast, en buk naar zijn rugzak waarvan de inhoud grotendeels door de hal ligt verspreid. Uit de krochten, weg gepropt tussen een beschimmelde boterham, een dopper zonder dop, en papiertjes van snoep waarvan ik zeker weet dat ík het niet voor hem gekocht heb, vis ik een verfomfaaid T-shirt tevoorschijn.

“O”, reageert zoon droogjes. “Kun je die dan nu nog even wassen?”

Hier moet iets veranderen, nú

Met de chaos op de achtergrond en een pijnlijke rug van een uur file, maakt een pure wanhoop zich van me meester. Ik voel de tranen prikken, maar realiseer me dat dat gewoon vermoeidheid is. Toch is me eens te meer duidelijk: hier moet iets veranderen, en wel nu.

Het taxichauffeuren naast mijn fulltime baan naar tennisles, schoolfeesten, vriendjes en andere drukte waarmee de kinderen hun agenda’s volplannen: prima. Ik doe boodschappen en kook eten waarvan ze vervolgens maar een paar happen eten: jammer, maar ook goed. Ik smeer schoolbrood dat onaangeroerd in de prullenbak verdwijnt omdat de frikandelbroodjes in de kantine nu eenmaal lekkerder zijn, vouw was weg die de volgende ochtend weer met stapels tegelijk uit de kast is getrokken en stofzuig zeker drie keer per week, terwijl minimaal één kind me tegelijkertijd al kruimelend achterna loopt om te vragen waar in vredesnaam die ene, nieuwe Playstation-game is gebleven (‘Nee, niet in het dressoir schat, maar daar heb je gezien de tv-box, snoeren en dvd-speler op de grond al uitgebreid in gekeken.’). Ik kan het allemaal hebben. Maar een béétje medewerking zou wel prettig zijn, op deze leeftijd.

Poep in de kinderkamer

In een tirade die ik nog min of meer beschaafd probeer te houden, gooi ik alles er in één keer uit. Ondertussen is ook jongste zoon naar beneden geslopen, en wacht rustig zijn moment af tot ik uitgefoeterd ben. “Snappen jullie dat?”, besluit ik mijn betoog. “Ik dóe het dus niet meer. O ja”, voeg ik bijna buiten adem toe tegen jongste: “Wat wil jij nou al de hele tijd zeggen?”

Met zijn armen langs zijn slungelige lijf en zijn hoofd gebogen, komt het hoge woord eruit: ”De hond heeft in mijn kamer gepoept.”

Ik weet niet of ik moet lachen of huilen, en kan twee dingen doen: nog bozer worden of de boel als huissloof maar meteen weer opruimen. Ik besluit tot het meest wijze: ik schenk een glas wijn in. “Jullie ruimen de poep op”, zeg ik rustig, “laten haar dan uit, en als jullie terugkomen, wil ik dat jullie hebben bedacht hoe dit anders kan.”

Zo houd ik het nog  jaren vol

Drie kwartier later scharrelen ze weer binnen. “Blijf maar lekker zitten, mam”, zeggen zonen stralend, “wij koken.” Die avond eet ik gebakken ei met erwten en een oude boterham. En wanneer ik de volgende werkdag een halfuur na de kinderen thuiskom, heerst er een bijna serene stilte in een huis dat net zo opgeruimd is als ik het achterliet. Wanneer ik die avond gesloopt mijn bed in duik, ligt op mijn kussen een post-it, met in hanenpoten: ‘Je bent de liefste supermama, XXX’. Daarnaast een nieuwe reep van de chocola waaraan ik de dag ervoor zo’n behoefte had. “Als ik op deze manier huissloof moet zijn, houd ik het nog jaren vol”, denk ik. En die oude boterham met erwt en ei? Dat was het lekkerste wat ik ooit heb gegeten.

Lees ook: Waarom mag ik geen feest geven als jij weg bent?

 

Deel dit via:

, , , , , , , , ,

No comments yet.

Geef een reactie