Menu

‘Je lijkt wel een bejaarde hippie’

Door: Pien (41)

Het klonk me als muziek in de oren, het voorstel van vrienden om gezellig met een groepje een heel weekend naar een festival te gaan. “Is leuk”, appte vriend J. “Je weet wel: tentje, biertje – net als vroeger.”

Ik herinner me van dat ‘vroeger’ vooral het hozen, wanneer op festivaldag één de tent al verzoop in de regen, en we met z’n zessen in het enige waterbestendige – dus droge – tentje eindigden. Beregezellig, maar met de nodige complicaties, als iedereen een lang weekend leeft op festivalburgers die iets te lang in de zon hebben gelegen, en deo die na drie dagen niet douchen echt nergens meer tegen is opgewassen.

Ik denk terug aan onze vette kapsels en centimeters beenhaar. De modder in je laarzen en drie dagen slaapgebrek. Liters bier en dronken festivalgangers die om vijf uur ’s ochtends over je scheerlijnen struikelden, waardoor je vóór zonsopgang met een kater je gebroken tentstokken provisorisch ducktapete. Álles voor het festivalgevoel – en natuurlijk de onweerstaanbare frontman van mijn favoriete band.

“Gaat tegenwoordig heel anders joh”, spreekt J. bemoedigend. “Moderne tentjes hebben helemaal geen tentstokken meer, en de sanitaire voorzieningen zijn prima geregeld. Net als het eten trouwens; dat is dankzij al die foodtrucks beter dan wat je in de meeste restaurants krijgt voorgeschoteld, en de wijn is ook nog eens te drinken. Bovendien: who cares. Het wordt dertig graden en stralend.”

Count me in”, app ik terug. Het is eruit voor ik er erg in heb. Hij had die wijn nooit moeten noemen.

‘Ga je de plee schoonmaken?’

In een ultrakort spijkerbroekshort, cowboyboots en bandana in mijn haar, stap ik die ochtend in de auto – mijn kinderen (10 en 12) klaar voor een weekend bij hun vader. “Ga je zó?”, roept oudste zoon verschrikt wanneer hij mijn outfit ziet. “Je lijkt wel een bejaarde hippie.”

“Dat is de festival-look, schat”, zeg ik verontwaardigd. “Dat leer je nog wel, als je over een paar jaar smeekt of ik alsjeblieft je Lowlands-, Werchter- of Tomorrowland-kaartje wil betalen.” Kom op zeg, denk ik; ik ben de koningin van de festivals. Deed niet anders, in mijn middelbareschool- en studententijd. Alsof ík niet weet wat de mores is. “Nou”, proest zoon, “met die theedoek om je hoofd lijkt het eerder of je de plee gaat schoonmaken.”

Drie liter chardonnay – and then some

Stipt op het afgesproken tijdstip parkeren vriend M. en ik op het festivalterrein. We bakenen een plek af op het zo te ruiken vers bemeste weiland dat de komende drie dagen onze accommodatie moet voorstellen, en werpen ons op het geleende tentje – mét tentstokken. “Eitje”, bluf ik, “ik heb dit vroeger wel honderd keer gedaan. In de storm én regen.” “Wat jij wilt”, grijnst vriend, “ik haal ondertussen de rest van de spullen wel uit de auto.”

Drie kwartier later trap ik vloekend van de rugpijn de laatste tentharing in de grond – en dan moeten we het luchtbed nog oppompen. Ik dank M. op mijn blote knieën voor de goedkope bag-in-box chardonnay van drie liter, die we hebben meegezeuld.

Uitzicht op de dixies

Vriend J. en consorten zijn gelukkig iets meer doorgewinterde kampeerders, en arriveren niet veel later met een kar (dat ik dáár nou niet zelf aan had gedacht) vol campingmeubilair, gasbranders, luifels, en zichzelf opblazende bedden waar mijn vooroorlogse luchtbed bij verbleekt – plus futuristische, tentstokloze opgooitent. Een halfuur later hebben we een tentenkamp staan waar de rest van de vijftigduizend bezoekers een puntje aan kan zuigen. “Ik voel me weer helemaal achttien!”, jubel ik de rest van de avond, schenk de zoveelste chardonnay in – en negeer de veelzeggende blikken van mijn ‘festivalsquad’.

Na amper vijf uur slaap word ik de volgende ochtend al voor negenen bruut gewekt door de eerste soundchecks op de mainstage, en de zon die me mijn tent uit fikt. Mijn luchtbed heeft overduidelijk ook zijn beste tijd gehad. “Ik ben blij dat ik op gras lig”, giert M. het uit. “Heb je een paracetamolletje voor mijn rug?”

Ik heb paracetamol nodig voor wel meer dan dat: mijn hoofd voelt als een baksteen, en mijn maag draait zich om zodra ik bij het openen van de tentrits op de dixies kijk – en dan moet het festival nog beginnen. Hoe deed ik dit vroeger ook alweer?

‘Zitten jullie aan de pillen ofzo?’

Dat blijkt gelukkig stukken makkelijker dan ik vrees: de rest van de drie dagen gaan we onzichtbaar op in de feestmassa – inclusief de door zoon beschimpte festivaloutfit. Ik onderdruk de neiging te instagrammen in superlatieven als #alleenmaarliefde en #livingthedream, plak een dozijn blarenpleisters op mijn voeten en bestel nog een biertje, naast mijn flesje water. “Eens een festivalganger, altíjd een festivalganger”, constateer ik tevreden, tot één van de puberzonen van de festivalsquad reageert op één van onze Insta-stories: “Drinken jullie water? Zitten jullie aan de pillen ofzo?!”

We proesten nog net ons bier niet over de planken van de festivaltent, maar de puber valt niet te overtuigen van het tegendeel. “Ja ja”, appt hij. “Nou, doe maar weer normaal als jullie thuiskomen, pap; mijn band is lek en mijn vrienden en ik willen zelf naar Loveland, dus maak vast even mijn zakgeld over. Trouwens”, voegt hij een paar minuten later toe, “zeg even tegen Pien dat ze die idiote theedoek uit haar haar moet halen. Ze ziet eruit alsof ze de wc gaat poetsen.”

Lees ook: We kunnen toch gewoon naar Bali?

Deel dit via:

, , , , ,

No comments yet.

Geef een reactie