Menu

‘Je moet die kerels horen kermen, een speenvarken is er niks bij’

Door: Pien (40)

“Pien, ik zie heel wat onderkantjes voorbij komen, maar dat van jou ziet er werkelijk prachtig uit.” De gynaecoloog trekt haar handschoenen uit en neemt plaats achter haar bureau. “Maar je hebt gelijk: sommige dingen moet je niet meer willen na je veertigste met twee bloedjes van kinderen. De fik erin.”

Er zijn duizend dingen die ik denk tijdens een consult met mijn benen wijd (“Welke haardracht is in hemelsnaam in de mode? Móet ik wel een haardracht? Straks ruik ik raar. Of zie ik er niet uit”), maar twee dingen kan ik niet vaak genoeg horen: het genadeloze cynisme van mijn gynaecoloog, én de constatering dat ik er blijkbaar nog aardig appetijtelijk uitzie, down under. Al weet ik niet helemaal zeker wat ik ermee aan moet, die twijfelachtige eer.

Haar co-assistent, een meisje van pakweg eenentwintig dat waarschijnlijk alleen haar eigen, ongeschonden ‘onderkantje’ kent, knikt – licht blozend – instemmend. Terwijl ik in de aangrenzende kleedkamer met de deur op een kier in mijn spijkerbroek schiet, kwebbelt de gynaecoloog onverstoorbaar verder. “Je geeft ze de kost hoor, vrouwen die hier tijdens hun intake voor een sterilisatie meteen even vragen om een anal bleach en ander oplapwerk. Er zijn heel wat moeders die stukken minder ongeschonden uit de strijd komen.”

Wijselijk houd ik mijn mond over knippen, scheuren, aambeien en ander zwangerschapsongemak, die volgens mij gewoon bij het moederschap horen. Sommige complimenten moet je simpelweg incasseren.

Goed gemutst

“Nou, jij bent goed gemutst”, zeg ik, wanneer ik gekleed en wel bij haar aan tafel schuif. Het floept eruit voordat ik er erg in heb. “Joh”, grijnst ze, “van die kerels horen we het niet. Die liggen hier kermend op de operatietafel, omdat zij volgens hun vrouwen nu weleens aan de beurt zijn, na drie kinderen, dertig jaar menstruatie-ellende en hormonale zenuwinzinkingen. Een speenvarken is er niks bij. Toen ik in dit ziekenhuis aan de slag ging, heb ik eerst alle gynaecologische patiëntenfolders herschreven. Mannen mogen weleens wat steviger aangesproken worden op hun aandeel in dit hele gebeuren. Trouwens, is die schijterd die vorige keer met je mee was nog in beeld?”

O ja. De schijterd. Die zonder kinderwens zijn mannelijkheid op zijn zessenveertigste nog steeds zo hard ontleende aan zijn werkende zaakje, dat hij vond dat ik niet zo moest zeuren, over de stolsels die ik maandelijks tollend van de bloedarmoede door het doucheputje trapte vanwege mijn koperspiraal. “Nee, die heb ik na dat debacle meteen de deur uit gebonjourd”, stamel ik. “Maare, ik ben hier niet voor anticonceptie, hè. Daar wil ik juist vanáf.”

De gynaecoloog buigt samenzweerderig over tafel. “Natúúrlijk wil je dat”, zegt ze. “Jij bent ook de jongste niet meer: baas over eigen buik.” Onopvallend werp ik een blik op mijn afsprakenkaart. Hij staat er toch echt, die dubbele – dus getrouwde – achternaam bij haar functie. Die wederhelft van haar moet wel een heel puike, geëmancipeerde kerel zijn, constateer ik; gegarandeerd geknipt zonder ooit een kik te kermen.

Twee dagen Netflix

De werkelijke reden voor mijn afspraak: met twee stuiterende pubers op de bank en een liefdesleven dat meer weg heeft van een soapserie dan het maatschappelijk verantwoorde plaatje dat ik zelf gelukkig steeds beter leer loslaten, ben ik er wel klaar mee, die maandelijkse confrontatie met mijn vruchtbaarheid. Van hormonale anticonceptie word ik een soort personificatie van de duivel, en toen ik bij wijze van experiment dat koperspiraaltje liet plaatsen, vroeg de plaatselijke groothandelaar of ik insloeg voor een blijf-van-mijn-lijf-huis, terwijl ik mijn maandelijkse tamponvoorraad kwam aanvullen.

Ik wil een permanente oplossing, en wel nu. “Novasure”, straalt mijn gynaecoloog. “Echt, je bent gek als je het niet doet.” Haar plan: door het slijmvlies weg te branden tot op de spierlaag van mijn baarmoeder (“Nee joh, die elektrocutie stopt vanzelf zodra alles is weggebrand; je hoeft echt niet bang te zijn dat ik je darmen barbecue”), word ik stukken minder – en met een beetje mazzel nooit meer – ongesteld. O, en in combinatie met wat andere operatieve handigheid nooit meer zwanger ook, zónder al in de overgang te komen. Het totaalpakketje klinkt me als muziek in de oren – al ligt dat misschien ook aan de minimaal twee dagen fulltime Netflix, die daarna in het vooruitzicht liggen.

“Doe maar dan”, probeer ik dapper, terwijl de assistent de telefoon voor een afspraak met het ziekenhuisopnamebureau al in haar hand heeft. Een halfuurtje slapen om tot mijn overgang nooit meer een tampon te hoeven gebruiken; ik vind het wel wat.

Met zo’n puntgaaf onderkantje kan ik er immers nog mínstens veertig jaar goed tegenaan.

Lees ook: Heeft íemand een valium?

Deel dit via:

, , , , , , , , ,

No comments yet.

Geef een reactie