Menu

Mama is een vette loser

Door: Caro (40)

Zoon (9): ‘Wie wil bij mama in het team?’

STILTE

Dochter (11): ‘Ik wil haar ook niet, ik zat de vorige keer al bij mama’.

Ik merk op dat ik er gewoon bij zit, maar dat kan ze niets schelen. Niemand wil bij mij in het Monopoly team. Bij mama in het team betekent kennelijk een gegarandeerd faillissement.

De afslachtingsmethode

Okay ik geef toe: ik verlies ook best vaak met spelletjes. Maar dat heeft puur met tactiek te maken. Zo’n spelletje Stratego duurt me gewoon veel te lang. Na een half uur vind ik er niets meer aan en maak ik van m’n hele leger kamikaze piloten. Ik loop gewoon recht op de maarschalk en majoren van m’n zoon af. En als ik niet voor de afslachtingsmethode kies, ga ik gewoon even naar de wc en laat het speelbord onbeheerd achter. Daarna loopt zoon altijd recht op m’n verdekt opgestelde vlag af. Hoe toevallig.

Ze kunnen ook heel slecht tegen hun verlies, die kinderen van mij. Dat maakt dat ik al sinds ze klein zijn, onder m’n niveau speel. Anders win ik en dat is misse boel. In de loop van de jaren heb ik mezelf dus, voor de gezelligheid, als een volslagen randdebiel geprofileerd. Het begon toen oudste een jaar of drie was en vroeg: ‘mama zullen we ganzenbord doen en dan deden we dat ik sowieso won, goed?’ Om te voorkomen dat ze het ganzenbord spel van de tafel smeet, bedachten we allerlei regels. Als je bijvoorbeeld op kerkhof kwam, hoefde je niet terug naar start. Althans, zij niet. Als ik op kerkhof kwam was er geen enkele genade. En als ik voor lag, moest ik een beurt overslaan. Gewoon zomaar.

Mama verliest altijd 

Het is niet alleen de gezelligheid die ik koester waardoor ik vals speel en m’n kinderen laat winnen. Het ontbreekt me ook totaal aan enig competitief gevoel. Met Monopoly geef ik bijvoorbeeld altijd straten weg aan m’n mede spelers met weinig geld en verzin ik regels waar we heel rijk mee worden (“als je een straat koopt, gooi je je geld vanaf nu op Vrij Parkeren” of “iedereen mag gratis 2 hotels op al z’n straten”). Maar helaas heeft me dit allemaal bijzonder weinig credits opgeleverd. Enige dat ze onthouden: mama verliest altijd.

Papa kan alles

Papa daarentegen. Papa kan alles. Papa is slim, knap, sterk en stoer. En, één van de allerfraaiste kwaliteiten die je in de ogen van mijn kinderen kunt hebben: papa is supergoed in spelletjes. Die heeft dat gepamper en gesjoemel nooit gedaan.  Ik herinner me nog als de dag van gisteren waar het allemaal begon: we waren gezellig met onze peuters van 2 en 3 aan het wandelen in een parkje toen oudste dochter (toen 3) opperde dat we allemaal op ons aller verst gingen springen. Jongste peuter sprong ongeveer 30 cm en viel door het gewicht van z’n luier achterover bij de landing. Oudste peuter had maar 1 doel: jongste verslaan en sprong met een spectaculaire looping zeker een halve meter. Vol trots keken ze naar de afstanden waar ze een takje bij plaatsten. Toen was mama. Ik nam een sierlijk aanloopje en maakte een sprongetje in de lucht om maximaal 25 cm verder te laden. Helemaal door het dolle waren ze: zij konden verder springen dan mama, dan een grote mens. Toen was papa. Hij nam een aanloop en met een bijna profi sliding, landde hij zeker 3 meter verder. ‘Papa ver springen’ mompelde jongste bedremmeld en plaatste het vlaggetje. ‘Yes yes, I am the best!!!’ kirde hun vader.

Achteraf had ik toen misschien toch op m’n verst moeten springen. Met een vette sliding aan het eind. En dan misschien nog de L van loser met m’n hand naar m’n peuters moeten maken. En misschien had ik ‘het is stiiiiil aan de overkant!!’ erbij moeten inzetten. Dan had iedereen het nu dikke bof gevonden om mij in hun Monopoly team te hebben. Maar ja. Dat is altijd achteraf.

Deel dit via:

, , ,

No comments yet.

Geef een reactie