Menu

‘Veertig loempia’s, een passende smoking en een kerstkrans, graag’

Door: Pien (41)

“Goddank is het bijna kerstvakantie.” Ik praat tegen mezelf, dat weet ik ook wel. De enige in huis die lijkt te luisteren dezer dagen, is de hond – en dat is ook alleen maar omdat zelfs uit de wc nog verdwaalde kruidnoten tevoorschijn komen.
Nog twee weken, houd ik mezelf voor. Dan kunnen we hele dagen in pyjama blijven met de kaarsen aan, foute kerstfilms kijken en uitslapen – al hoop ik dat laatste tegen beter weten in.

“Ik hoor je heus wel hoor”, mompelt oudste zoon (13) vanachter zijn telefoon op de bank. “Ik snap echt niet waarom jíj zo loopt te stressen. Ík moet binnen anderhalve week nog twee tekorten ophalen en koken voor het kerstdiner op school. En kleren regelen voor het kerstgala, want we gaan in smoking, hebben we afgesproken. Kunnen we trouwens nog even naar de kapper? Zo ga ik écht niet meer over straat.”

Wacht even. Binnen hóeveel dagen moet dit allemaal geregeld worden? Anderhalve week? Tot de kerstvakantie?! Geen twee? De herfstvakantie is nog maar net voorbij! Goed, dan heb ik dus nog precies zeven werkdagen om alles rond te breien en werk af te ronden. Moet lukken.

De bank gromt verder. “Oja, maandag zijn we ook lesvrij. Omdat die leraren lui zijn, of zo. Dan komen Lars en Tom trouwens hier slapen, want er is een kaulo gave update van Fortnite.”
Goed, zes werkdagen dus. Even mijn planning indikken en twee avonden de tanden op elkaar: kan nog steeds.

‘Jij neemt toch al stiekem wijn mee’

Jongste zoon (11) kijkt met zijn Xbox-controller in zijn handen geamuseerd toe. “Zo, ik ben écht blij dat ik nog niet op de middelbare zit”, mengt hij zich in de discussie. “Ik hoef alleen maar… – o ja, dat is waar, mam: ik moet veertig loempia’s mee naar het kerstdiner. Warm. En zo’n kerstkrans, want ik had aan de meester verteld dat je die onwijs goed kunt maken en toen wilden opeens alle leraren proeven, dus nu heb ik gezegd dat je er wel eentje maakt.”

“Kerstkrans?”, herhaal ik ongelovig. “Een tulband, bedoel je? Zoals we vorig jaar aten bij je tante? Die had óma gebakken. Ik heb nog nooit een muffin gemaakt in mijn leven – dat weet je toch wel?”

Zoon haalt zijn schouders op. “Nou ja, als ‘ie lukt, kun je er meteen ook één maken voor de ouderborrel. Al had ik eigenlijk gezegd dat je wraps maakt. O ja, en wijn meeneemt, want dat doen de moeders van Simon en Luca en jij elk jaar toch al stiekem.”

‘Ik ben niet skeer’

Ik vloek inwendig. Ik ben ook altijd te laat met die stomme intekenlijsten voor kerstdiners en ouderborrels. Moeders die nadenken zetten tenminste meteen hun naam bij de kant-en-klare pakken jus d’orange.

“Ja, nee, tuurlijk”, stamel ik – half op de automatische piloot, half in ontkenning. “Loempia’s. Tulbanden. Smoking. Kapper. Logees. Geheime wijn. Check.” Zo’n tulband kun je vast kant-en-klaar kopen, denk ik. En is die loempiakar bij het winkelcentrum niet tot negen uur ’s avonds open?

“Als we toch die smoking kopen, kunnen we ook meteen een overhemd voor mij regelen”, oppert jongste. “Mijn enige normale had ik vorig kerstdiner al aan, die is vet skeer.”

“Nee, skeer willen we niet”, zeg ik. “Stel je voor.” Goed. Met een beetje heb ik dus nog drie werkdagen tot de kerstvakantie om mijn werk af te ronden.

‘Een schaatsuitje? Ook dat nog?!’

“Kunnen er trouwens drie of vier kinderen in jouw auto?”, gaat jongste verder.
“Eh, vier, hoezo?”, zeg ik, terwijl ik zeven dagen werk in drie dagen in mijn agenda probeer te tetrissen.

“Je weet wel, voor het schaatsuitje, volgende week dinsdag. Jij zou toch rijden?”

“Schaatsuitje?”, gil ik, nog net niet hysterisch. “Dat óók nog? Wanneer dan, hóe?! Ik herinner me niet dat ik daar ooit ja op heb gezegd.”

“Sorry hoor”, mompelt zoon. “Je zei uh-huh, dus toen heb ik je opgegeven. En ik pas mijn schaatsen trouwens niet meer.”

Oké. Ik heb dus nog precies twee dagen tot kerst om te werken.

‘Het is geen galajurk, zeg’

Dan, zomaar opeens, kom ik bij zinnen. “Ik ben me daar eigenlijk gek. Jullie trekken de overhemden van vorig jaar nog maar een keertje aan. Stropdas erop, gel in je haar; geen kip die het doorheeft. Het is geen galajurk, zeg. Dáár ben je nou een jongen voor. Ik rij óók niet naar het schaatsuitje; mama heeft gewoon een baan. Wat is er gebeurd met schoolbussen?

En wat bedoel je, je schaatsen zijn te klein?”, bries ik door tegen jongste. “Begin dit jaar pasten ze nog. Je trekt die van je broer maar aan. Ja, ik weet dat zijn voeten vier maten groter zijn, maar dan stop je er maar dikke sokken in. Met watten in de neus, zoals we dat vroeger deden. Lekker warm.”

“Mam.” Jongste zoon probeert mijn aandacht te trekken en zwaait met zijn armen. “Mam! Luister nou even.”

“Wát!”, reageer ik – een tikkeltje te geërgerd.

“Nou, dat schaatstuitje, dat hebben ze dus verplaatst naar januari, omdat alleen jij wilde rijden.”

“Wílde?”, wil ik zeggen, maar ik slik het in. In plaats daar van heb ik opeens een lumineus idee. “Nou, dat is ook jammer”, zeg ik. “Weet je wat, mag jij lekker schaatsen in de kerstvakantie. Met je vader, drie keer. Kan mama mooi nog een paar dagen werken.”

Lees ook: ‘Hang er een servet voor‘.

Deel dit via:

, , , , ,

No comments yet.

Geef een reactie