Menu

‘We kunnen toch gewoon naar Bali?’ 

Door: Pien (40)

Het is meivakantie, de mussen vallen van het dak en zoon (12) hangt al een halve dag op de bank. “Echt boring”, verzucht hij. “Iedereen is op vakantie, behalve ik. Wanneer gaan wij nu eens op reis? Met palmen, en bountystranden enzo?”

Eh, ‘nu eens’? Voorzichtig herinner ik hem aan onze wintersport, begin dit jaar. Onze trip naar Zuid-Duitsland, niet lang daarvoor. Alle zomers dat we kanoden over Franse rivieren, echt ijs aten in Italiaanse dorpjes, en al roadtrippend naar Kroatië trokken – wat overigens genoeg avontuur opleverde voor een heel puberleven an sich.

“Dat is anders”, vindt hij. “Ik bedoel: wanneer gaan we nou eens echt vér?” “Veel verder dan Zuid-Oost Azië kom je niet hoor”, knipoog ik. “En zat jij niet vorig jaar met je vader in Amerika? Of was je die reizen voor het gemak maar even vergeten?”

Eén vliegtuigstoel voor het hele vakantiebudget

Ik begrijp zijn punt; zelf ben ik ook weleens toe aan wat verandering van spijs na jaren achter elkaar relatief veilig in vakantiehuizen of – parken met lekker veel vertier voor de kinderen. Thing is: ik mag de complete reissom in mijn eentje ophoesten, en de gemiddelde vliegtuigstoel richting andere werelddelen, slurpt gauw al het gros van mijn hele vakantiebudget op. Voorlopig ben ik al blij als ik een tentje op een Noord-Franse (of eerder: Vlielandse) camping bekostigd krijg.

“Luna is anders naar Singapore, en haar moeder is ook gescheiden”, zegt zoon. “Ja, en Lionel zit nu in Suriname, alleen met zijn vader”, weet jongste (10). “Lekker makkelijk”, zeg ik, “die hebben hun complete families daar wonen, én ze hebben geen broertjes of zusjes die ook nog meereizen.”

De kinderen knikken begripvol. “Weten we hoor mam, dat je al zo hard werkt. En dat vakanties duur zijn enzo”, zegt oudste, “maar dan kunnen we toch gewoon naar Bali?”

Leuk, plastic ruimen!

Ik proest mijn slok wijn nog net niet over mijn toetsenbord. “Uit wereldverbeterend oogpunt nog niet eens zo slecht bekeken”, zeg ik. “Bezoeken we de idealistische Green School en gaan we elke dag een uur plastic ruimen op de stranden.” Niet dat die drie vliegtickets daar opeens haalbaar mee zijn, maar uit pedagogisch oogpunt beschouw ik het alvast als winst.

“Zo’n hutje klinkt wel cool”, straalt jongste. “Ja doei, daar hebben ze geen wifi”, knort oudste. “En móet ik dan echt plastic ruimen? Wat is die Green School eigenlijk?”

Ik tover wat websites over het echte leven op Bali tevoorschijn, en draai mijn laptopscherm naar hem toe. Zoon heeft nog geen drie minuten gelezen, als hij verwoed aan het typen slaat op zijn telefoon. “Hé mam”, zegt hij, “iedereen uit mijn klas gaat deze zomer naar de camping, zeggen ze. Daar zijn glijbanen. En disco’s enzo.”

“Weet je”, zeg ik, “in Frankrijk zijn ook palmbomen. En witte stranden. Plús disco’s en glijbanen.” Niet dat ik daar zelf nou direct dolgelukkig van word, maar het credo ‘Als de kinderen gelukkig zijn, ben ik het ook’ draag ik hoog in het vaandel, en met een beetje mazzel is het nog haalbaar ook.

Kunnen we niet gewoon thuisblijven?

“Eh mam”, piept oudste, “die campings van waar mijn vrienden naartoe gaan, zijn in Nederland. Je weet wel, waar wij deze vakantie naar het strand gingen.” Ik grinnik in stilte. “Begrijp ik nou goed dat je zegt dat je deze zomer níet op vakantie wilt, maar naar de plek waar we altijd al komen?”, vraag ik. Zoon buigt zijn hoofd. “Nou ja, misschien kunnen we dan gewoon kort ofzo. Naar Frankrijk, bedoel ik. En dan hoef ik geen palmbomen, hoor. Als ze maar wifi hebben. Dan kunnen we het verder gewoon doen zoals in deze meivakantie.”

Lees ook: Wie heeft er nou vakantie in het buitenland nodig?

Deel dit via:

, , , ,

No comments yet.

Geef een reactie